Woord en Dienst tekst in het nummer van 24 september 2010

Als je als vrouw liturgische kleding wilt aanschaffen, ontdek je dat er alleen kleding voor mannen wordt gemaakt. Ik las ergens dat een vrouw die liturgische kleding wilde aanschaffen te horen kreeg: ‘voor vrouwen maken we de kleding bovenaan wat wijder!’
Voor zover ik weet, zijn er in officiële zaken voor vrouwen alleen shawls te koop in de kleuren van het kerkelijk jaar.

Lodewijk Dros, destijds predikant in Amsterdam, vroeg 45 collegae naar hun zondagse dracht. Hij schrijft in 1997 in Trouw een artikel erover: ‘In het Amsterdamse is het dragen van een ambtsgewaad meer een mannen- dan een vrouwenaangelegenheid. Een op de vier vrouwen draagt daar geen ambtsgewaad, tegenover slechts een op de zeven mannen. Wellicht speelt hierbij een rol dat vrouwenkleding met een creatief-liturgische toets makkelijker aan te passen is voor vieringen, dan 's heren jasje-dasje of preekpak. Dameskleding leent zich er nu eenmaal beter voor. Een blouse in de kleur van het kerkelijk jaargetijde, een artistieke broche: vrouwen gaan vindingrijker om met hun kleding. Een hunner over haar sieraad: ‘Het is vrije kunst, maar gemeenteleden zien er veel in.’
Tien jaar eerder schreef Enna van Dijk een doctoraalscriptie getiteld: Omhulling Onthuld. Er reageerden 79 vrouwelijke predikanten op haar vraag welke ambtskleding ze droegen. De helft koos voor de zwarte toga met witte bef, om niet af te wijken van hun mannelijke collega’s en niet op te vallen. Hun argument: zonder toga ben je teveel vrouw en te weinig predikant. Het dragen van een toga zou helpen om serieus genomen te worden. De andere helft van de vrouwelijke predikanten kiest niet voor een zwarte toga, maar zoekt het in een alternatief. Hun argument is dat zwarte toga’s een mannendracht zijn. Een predikante schreef dat zij zich in een streng en mannelijk gewaad als een toga niet thuis voelt. Verder staan in deze scriptie 31 patronen van afwijkende modellen beschreven, waardoor het een soort Ariadne voor dominees is geworden.

Omdat onze protestantse kerk geen kledingvoorschriften kent, kun je ook als vrouw je eigen toga/gebedsmantel laten maken, in de vorm, met de symboliek die je zelf mooi en passend vindt. Zo heb ik zelf stola’s laten maken in de vorm van een cape/omslagdoek, met nieuwe applicaties zoals een klaproos erop. Deze vorm spreekt mij veel meer aan dat de lange sjerp stola met de traditionele symbolen als de vis en de korenaar. Ik zocht naar vrouwelijke en eigentijdse vormen en symboliek.

In de Barneveldse Krant van 3 april 2006 vond ik een stuk over de modeshow ‘Kerk op de catwalk’. De modeshow bestond uit een overzicht van de protestantse predikantskleding vanaf de Reformatie. Deze kleding werd eerder in Ugchelen al getoond en trekt nog steeds langs kerkelijke gemeentes. In de begintijd van het protestantisme volstond voor een dominee een eenvoudig burgerpak. In de loop der eeuwen onderging het uiterlijk van de predikant menige verandering: met of zonder kraag, met of zonder pruik, met of zonder baard. Lange tijd ging de stadsdominee gekleed als de gegoede burgerij. Maar wel in stemmig zwart. In de tijd van de Verenigde Oostindische Compagnie, werd zelfs de Japanse rok gedragen, liefst met fleurige gestroomlijnde pantoffeltjes. In de Bataafse tijd bepaalde de Nationale Vergadering, dat gezien de scheiding tussen kerk en staat, de dominee niet meer herkenbaar over straat mocht: mantel, bef, kuitbroek en steek werden verboden. Toch bleef men deze dracht lange tijd trouw. Ze gold als teken van rechtzinnigheid. Vanaf midden 19e eeuw ging de dominee als deftig burger over straat: stemmig kostuum, witte das, hoge hoed en wandelstok, zij het minstens een mode achter. Op de hervormde kansels werd de toga geïntroduceerd, de redenaarsmantel van een academicus met bef en baret. Omdat gaandeweg de 20e eeuw meer aandacht is ontstaan voor het vierende karakter van de eredienst met de bijbehorende symboliek, worden de liturgische gewaden, zoals bekend van de RK kerk, in ere hersteld, met stola’s in de kleuren van het kerkelijk jaar.’

Als je verder teruggaat in de geschiedenis, zie je dat tot in de 5e of 6e eeuw christelijke geestelijken in de liturgie gewone kleren droegen. Ze onderscheidden zich niet van leken. Door verzet tegen de invloed van de ‘barbaren’, werd de kleding die uit de laat antieke cultuur kwam, gehandhaafd, maar nu als liturgische kleding. Deze kleding is afgeleid van Griekse, Romeinse of Gallische klederdrachten. Het effect van de invoering van kerkelijke kleding was ondermeer dat het onderscheid tussen geestelijken en leken steeds sterker werd beklemtoond. Geleidelijk aan werden ook binnen de geestelijke stand verschillen in kerkelijke status gemaakt door middel van kerkelijke kleding en vooral speciale kledingstukken. Aan de kleding kon je aflezen met welk ambt je te maken had, bij welke orde iemand hoorde en hoe de rangen en standen waren.

Dr. Maaike de Haardt hield in 2006 een lezing op een jubileumdag van het blad Zijwind, die als titel had: Faith and Fashion. Daarin illustreert ze dat naast de traditie van mooie en rijke gewaden, er in het christendom ook een andere lijn zichtbaar is, die niet bepaald een voorkeur heeft voor kleding. ‘Plezier in het uiterlijk, in hoe je je kleedt, je versiert, opmaakt, geuren gebruikt, wordt beschouwd als ijdelheid en als onwaardig voor de mens als schepsel van God. Bescheidenheid, nederigheid, kuisheid, zijn de norm, samen te vatten met het woord zedelijkheid. Dat geldt voor vrouwen en mannen. Luxe kleding, fijne stoffen en kleuren, ze zijn een indicatie van geestelijke armoede. Het gaat om de staat van de ziel, het lichaam is volslagen onbelangrijk. Anderzijds leidt het geklede lichaam, met name het geklede vrouwenlichaam, af van bescheidenheid, nederigheid en kuisheid. Dit aspect krijgt erg veel aandacht. Het lichaam, de schoonheid van de vrouw is het bezit van haar echtgenoot en niemand anders mag daar iets van zien.’
Enerzijds is er een lijn in de traditie waarin kleding uitbundig mag zijn, omdat het verwijst naar Christus. Omdat je met Christus bent bekleed, mag je je voor hem op zijn mooist kleden. Zelf werd ik erg geïnspireerd door Hildegard van Bingen.
Zij wilde de schoonheid van de ziel vieren. Het is bekend dat de nonnen van haar klooster op bepaalde feestdagen hun habijt verruilden voor lange witte gewaden, dat de kap waaronder hun haar verborgen was af werd gedaan en dat ze gouden armbanden en dunne gouden hoofdbanden droegen. Om vervolgens de liturgie te vieren, te zingen en muziek te maken!
Maar met dezelfde verwijzing naar Christus, kun je zijn nederigheid en eenvoud nastreven. Zo kun je, ook vanuit de eenvoud, komen tot een kritische kijk op mode, kledingindustrie, overmatige consumptie en behoeftebevrediging.
Ik denk dat beide nodig zijn: een kritische omgang met uitwassen van de modecultus en de nadruk op lichaam en uiterlijk én een positieve en genietende omgang met lichaam en uiterlijk.
Maaike de Haardt besluit haar lezing met het volgende, dat me uit het hart gegrepen is: ‘Het gaat me om de aandacht, de creativiteit, spiritualiteit, het kunstenaarschap die in de vormgeving van religieuze of rituele kleding tot uiting wordt gebracht. En opnieuw, het zijn met name vrouwen die dit doen. Textiel is immers vanouds een vrouwen-zaak. Want of het nu gaat om soberheid en eenvoud in de kleding of dat het gaat om de feestelijke uitbundigheid, waarmee men zich voor God tooit, steeds opnieuw komt daarin de scheppingskracht, de creativiteit van vrouwen tot uitdrukking. Het is deze schoonheid van zoiets gewoons en alledaags als kleding, die in en vanuit de spiritualiteit en creativiteit waarmee ze gemaakt en gedragen. wordt ‘buitengewoon’ wordt. Geloof en esthetiek vallen hier samen en de waardigheid van het lichaam wordt bevestigd. Immers, religieuze mode en religieuze kleding stelt ook uitdrukkelijk het lichaam present. Het stelt op zijn best, in het kunstenaarschap en in de schoonheid, iets present van het uiteindelijk onzegbare, onzienbare, het goddelijke zo u wilt, dat schoonheid present stelt. En Schoonheid wil gezien worden.’

Toen in de uitvaartbranche vrouwen hun plek gingen innemen, was ik ontroerd en onder de indruk hoe ze dat op eigen wijze invulden. Zo zag ik eens een vrouwelijke uitvaartleider die met een prachtige zwarte hoed en in een lange, stijlvolle jas voor de familie uitliep. Het was plechtig en stijlvol en ook mooi om te zien. Ook zijn er vrouwelijke uitvaartleiders die het traditionele zwart achter zich laten en roodpaarse kleding dragen. Deze kleur geeft veel meer warmte dan het kille zwart.

Ook in de kerk zijn vrouwen hun plek gaan innemen. Ze vullen dat op eigen wijze in. Vrouwen kunnen een voortrekkersrol vervullen als het gaat om meer ruimte voor het esthetische, het zintuiglijke, het zinnelijke, het erotische. In de mannelijke, protestantse kerk liep alles via het gehoor. De nadruk lag vooral op het cognitieve aspect van geloven. Maar ook de andere zintuigen willen gestreeld worden. Mag het oog ook gestreeld worden door het zien van mooie en symbolische kleding? Mag geloof ook lekker ruiken en mag het voelen een rol spelen?

Kleren zijn belangrijk als het gaat om iemands identiteit. Om je identiteit als vrouwelijke voorganger te zoeken, is het belangrijk dat deze identiteit terug mag komen in eigen liturgische kleding.
Het is mogelijk om daarin je eigen model te zoeken en te laten maken. Dat gebeurt op grote schaal, zoals we zagen. Het lijkt mij echter een uitdaging kleding te laten ontwerpen en op de markt te brengen, die gebaseerd is op oude wijsheid van vrouwen en vrouwelijke archetypen.

In de kleding die ontworpen is voor vrouwen, ga ik uit van vrouwelijke archetypen. In de analytische psychologie van Carl Gustav Jung betreffen archetypen bepaalde overgeërfde manieren van reageren, die de mensheid sedert de oertijd heeft opgebouwd in situaties van angst, gevaar, strijd, de verhouding der geslachten, de houding ten opzichte van geboorte en dood. Het is een oer-oud weten omtrent de diepste relaties tussen God, de mens, het leven en de kosmos. Archetypen zijn gedragsmogelijkheden, een aanleg om op een bepaalde manier te reageren op de omstandigheden die we in het leven tegenkomen. Ze vormen de bodem van ons collectieve onbewuste, en worden in de verschillende culturen symbolisch uitgedrukt in godsdiensten, volksverhalen, mythen, sprookjes. Er zijn mannelijke en vrouwelijke archetypen. Vrouwelijke archetypen zijn: de maagd, de moeder; de heilige, toegewijde, verzorgende moeder (bijvoorbeeld: Maria; moeder Theresa); de heks (de levensbedreigende moeder). In het boek ‘Königin und wilde Frau’ van Anselm Grün en Linda Jarosch, worden deze bestaande archetypen verbonden aan bijbelse vrouwen. In de kleding wil ik uiteraard ook aansluiten bij de bijbelse en christelijke traditie. Voor Grun en Jarosch is in de bijbel Tamar het archetype van de wilde vrouw. Maria vertegenwoordigt het oerbeeld van het moederschap, Sophia is de vrouwelijke ziel van de joods-christelijke God en Anna is de oude, wijze vrouw in de bijbel. Deze vier types zijn gekozen, omdat ze aansluiten bij de vier (levens)seizoenen, die ook een rol hebben gespeeld bij het ontwerpen van de kleding.
De kleding is getoond binnen het project Feest van Aarde en Hemel. (www.feestvanaardeenhemel.nl) Het Feest van Aarde en Hemel bestaat uit vieringen waarin de wisseling van de seizoenen wordt verbonden met oude vergeten tradities en rituelen.
De seizoenen sluiten aan bij de genoemde vrouwelijk archetypen. De lente past bij de jonge vrouw, de zomer bij de vrouw in haar volheid, in haar moederschap, de herfst sluit aan bij de rijpe vrouw en de winter bij de oude, wijze vrouw.


Marjan van Hal, september 2010


De jurken zijn ontworpen op basis van vrouwelijke archetypes uit de bijbel en de christelijke traditie. De archetypes verwijzen bovendien naar fases in een mensleven, gekoppeld aan de vier seizoenen.
U vindt op deze website De Tamarjurk, de Mariajurk, de Sophiajurk en de Annajurk.
Als extra mogelijkheid bieden wij nog een kort model aan.